maandag 15 maart 2010

Nicaragua: verwaterd sandinisme en goudkoorts

Bijna zeven jaren zijn verlopen, zeven lange jaren, waarin Nicaragua naar de achtergrond van mijn gedachten was verschoven. Het Midden-Amerikaanse land, na Haïti het armste in de regio, was het eerste land dat ik buiten Europa bezocht, acht jaar geleden. Het liet een enorme indruk op me na, vooral de aanblik van zoveel armoede maar ook de gastvrijheid van de Nica’s, zodat ik het jaar nadien terugkeerde voor een thesisonderzoek. In 2003 bezocht ik zo voor de eerste keer Bonanza, een op het eerste zicht betekenisloze gemeente in de verre wouden van de RAAN, de Autonome Noord-Atlantische Regio. Bonanza, dat samen met buurgemeenten Siuna en Rosita de zogenaamde ‘mijndriehoek’ vormt, is rijk aan goud en mineralen. Niet alleen wordt het beeld van de gemeente bepaald door het Noord-Amerikaanse mijnbedrijf Hemco, maar ook door de ettelijke particuliere goudzoekers of ‘güiriceros’. Bonanza vormde de casestudie van mijn eindwerk, maar veroverde ook een plaats in mijn hart.

En zo vervlogen er vele jaren, zonder de minste intentie om terug te keren naar Nicaragua, totdat ik voor een jaar in Guatemala belandde. “Ik kan onmogelijk dit continent verlaten zonder een bezoek aan Nicaragua te hebben gebracht”, dacht ik bij mezelf. Want al die jaren had ik nog sporadisch contact met Nicaraguaanse vrienden uit Managua en Bonanza. En dus kocht ik, twee weken voordat ik terug naar België zou keren, een busticket naar Managua. ’t Was nu of nooit.

Ortega, de vergane glorie van het sandinisme

Na 21 uur rijden - de bus van King Quality loopt veel vertraging op en valt bovendien twee uur in panne, ook de airco werkt niet - kom ik gebroken en gebraden aan in Managua. Karen en haar familie vangen me met open armen op en hangen de volgende dag een hangmat op, zodat ik tot rust kan komen. De reis heeft me helemaal misselijk gemaakt en ik heb barstende hoofdpijn. Nadat de stevig gebouwde moeder van Karen de hangmat heeft uitgetest, strijk ik me neer en dommel in. Totdat ik een krak hoor. Veel tijd om na te denken heb ik niet. Ik val met hangmat en al op de grond. Niets gebroken, veel gelach, maar het is wel pijnlijk.

De familie van Karen neemt me mee naar de Mirador Loma Tiscapa, waar dictator Somoza vroeger over Nicaragua heerste, politieke gevangen folterde en de vrijheidsstrijder Augusto Sandino vermoordde. Een hemelshoog standbeeld van Sandino, die het opnam tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Nicaragua, prijkt op de plaats waar vroeger het presidentiële paleis stond. De huidige sandinistische regering van FSLN-leider Daniel Ortega geeft duidelijk meer zichtbaarheid aan de woelige geschiedenis van Nicaragua, zo tonen tentoonstellingen en affiches her en der in de hoofdstad. Maar veel goeds heeft Karen - en vele andere Nicaraguanen - niet te zeggen over het regime. Na een studie van twee jaar in Mexico City, werkt Karen nu voor de overheid, maar ze hoopt zo snel mogelijk ander werk te vinden. “Je moet een partijkaart hebben om voor de overheid te kunnen werken en je engageren in de sandinistische beweging. Sommigen worden ’s nachts per moto uitgestuurd naar gevaarlijke zones om afvallige leden op heterdaad te betrappen en kritiek tegen de sandinistische partij in de kiem te smoren”, vertelt ze. President Ortega prijkt met een grote glimlach op metershoge propagandaborden over heel het land, die duidelijk de alliantie met de katholieke kerk benadrukken: “Cumplirle al pueblo es cumplirle a Dios” of “Cristiana, socialista y solidaria”. Sinds Ortega aan de macht is, is abortus illegaal, zelfs als het leven van de moeder in gevaar is en een abortus om medische redenen noodzakelijk is. Zo bestaat er momenteel commotie over het leven van een 27-jarig meisje uit León, Amalia, die kanker heeft en zwanger is. Pas na een aanmaning van de mensenrechtencommissie van de Organisatie van Amerikaanse Staten, stond de regering van Ortega chemotherapie toe om het leven van de moeder te redden. “Ortega zou dingen kunnen veranderen, maar ’t land is er niet beter op geworden”, zegt Karen. Vriendjespolitiek is schering en inslag. Huizen worden gebouwd voor militanten en projecten worden toegekend om stemmen te winnen. Ortega heeft de grondwet veranderd zodat hij nogmaals verkozen kan worden. “De regering verspilt geld aan propaganda en laat kerstbomen het hele jaar door ’s nachts verlichten op de rotondes van Managua”, merkt Karen op. De sandinistische vrijheidsstrijd van weleer en de guerrillabeweging van de jaren tachtig hebben duidelijk hun glans verloren. Het ideologische sandinisme van toen valt niet te vergelijken met de corrupte machtspolitiek van Ortega op de dag van vandaag.

Bonanza: brengt goud ontwikkeling?

Gregorio heeft meegevochten met de guerrilla, in de jaren zeventig en tachtig. Hij kwam als idealistische student terug uit Cuba, wanneer de Nicaraguaanse burgeroorlog volop aan de gang was. Hij wierp zich meteen in de strijd. Bonanza was één van de laatste verzetshaarden die de wapens neerlegde. Ik herinner me nog zijn verhalen van jaren geleden, toen hij me vertelde over de oorlogsgruwelen die hij had beleefd. Eén keer verloren ze een kameraad in de strijd en om zijn lichaam te kunnen bezorgen aan zijn ouders, moesten ze zijn ingewanden eruit halen om het gewicht dragelijk te maken, tijdens de dagenlange tocht naar de thuisbasis.

Gregorio is er nu 43, maar hij heeft zijn idealisme nog niet verloren. Hij wil dat zijn dorp, Bonanza, zijn bevolking, zich ontwikkelt. Hij mag dan wel voor het mijnbedrijf werken, het is de enige instantie met veel geld die veranderingen mogelijk kan maken. “Het gemeentebestuur doet niets, heeft geen tijd en geld”, zegt Gregorio, die de sociale projecten van het mijnbedrijf beheert, zoals ruimtelijke ordening, sportinfrastructuur, culturele activiteiten, veiligheid… Het logo van het mijnbedrijf prijkt overal, naast dat van het gemeentebestuur en zelfs Oxfam. De lokale autoriteiten nemen duidelijk hun verantwoordelijkheid niet serieus en het mijnbedrijf vult de leegte op. Hemco maakt zich onmisbaar voor de inwoners van Bonanza en de ecologische vervuiling wordt vlug vergeten. Eind januari veroorzaakte een lichte aardbeving een zandverschuiving aan één van de wanden van het meer van het mijnbedrijf, waar het zijn chemische afval dumpt. Verschillende families moesten verhuizen door het vergiftigingsgevaar. Ze werden tijdelijk ondergebracht in andere huizen, binnenkort krijgen ze van het mijnbedrijf een terrein, nieuw huis en schadevergoeding. Ik wandel naar het meer en zie verschillende camions met stenen over en weer rijden om de wand te stutten. Op zo’n vijf meter van de bijna ingestorte wand, zie ik overblijfselen van afgebroken huizen. Daar woonden vast en zeker de geëvacueerde families. Vlak naast de wand zie ik een smerige plas, het meer was al vervuild water beginnen lekken na de aardschok. Vlakbij stroomt een rivier. Ondanks alle gevaarbordjes, is het meer niet overal afgesloten met prikkeldraad en kan ik gemakkelijk tot vlakbij komen. Een indringende geur jaagt me gauw weg.

Bonanza is veranderd na zeven jaar. Wanneer het kleine vliegtuig van La Costeña rakelings over een bergtop afdaalt naar de landingsbaan, merk ik een nieuwe buurt op rond de ‘luchthaven’, die enkel bestaat uit een piste, een administratief gebouwtje van zo’n vier vierkante meter en een nieuw restaurant. Er is geen taxi te bespeuren, dus geeft iemand van het mijnbedrijf me een lift. “Naar het gemeentehuis”, zeg ik, want het hotel van Isabel bevindt zich er recht tegenover. Wanneer de auto stopt voor een nieuw groen gebouw, waarop “Alcaldía Municipal Bonanza” prijkt, vraag ik verward: “Is dit het nieuwe gemeentehuis?” Iedereen schiet in de lach. “Hup naar het oude”, reageer ik. Ik herken het hotel van Isabel niet meer, het heeft een volledige facelift gekregen. Maar Isabel ziet er nog vrijwel hetzelfde uit, we vliegen elkaar in de armen. Ze geeft me één van de eerste kamers, waar Liesbet vroeger in geslapen heeft, de economiestudente die op hetzelfde moment als ik ook een thesisonderzoek over Bonanza deed. Toen had Isabel slechts twee kamers in het hoofdgebouw, nu heeft ze er twaalf.

De hoofdstraten van Bonanza zijn geasfalteerd en vlak naast het hotel is er een bank. Ik herinner me nog dat Gregorio me vertelde dat de inwoners van Bonanza niet de gewoonte hadden om geld op een bankrekening te zetten. “Ze hebben geen langetermijnvisie en geven hun geld direct uit.” Hij gaf het voorbeeld van iemand uit Bonanza die de lotto had gewonnen: de gelukzak huurde een helikopter met drank en prostituees en gaf zo al zijn gewonnen geld in één dag uit. De eerste bank in Bonanza verdween dan ook weer gauw. Nu zijn de tijden blijkbaar veranderd, de bank doet gouden zaken.

Ik ben nog van mijn indrukken aan het bekomen, wanneer ik Petro zie, de zus van Isabel. Een klein meisje met paraplu in de hand, tegen de zonnestralen, staat naast haar met grote ogen naar me te kijken. “Dit is mijn dochter”, zegt Isabel. Ze is drie jaar en heet Garely, ze heeft een broertje van anderhalf jaar, Gael. ’s Avonds noemt Garely me al “tante Josti”. Ik herinner me Petronila nog, als hopeloze vrouw op zoek naar een man. Het is vlug gegaan. Ze leerde iemand kennen op de bus en enkele maanden later zijn ze getrouwd. Het is een schattig koppel, zij en de broer van Gregorio.

Ook Isabel is een jaar geleden getrouwd. Zij is moeder van drie kinderen, telkens van een andere man, en is daarvoor nooit getrouwd geweest. Tot ze tot het besef kwam dat ze niet alleen oud wilde worden. Maar ze maakt veel ruzie met haar echtgenoot en denkt er al aan om te scheiden. Ik herinner me nog dat haar kinderen me overal mee naar toe namen, naar de rivier, de markt, de heuveltop… Kelvin is er nu 17 en werkt als güiricero: hij haalt stenen uit een mijnschacht en klopt ze fijn, om ze vervolgens te verkopen aan het mijnbedrijf. Hij wil niet meer studeren. “Het is een bandiet, hij drinkt, rookt en denkt alleen maar aan vrouwen”, zegt zijn moeder. Xochilth is er nu 13 en studeert in Managua met haar broer Tony van 23, die ondertussen al een driejarige dochter heeft met een meisje uit Bonanza. Het was een ongeluk, zoals zoveel kinderen in Nicaragua, maar hij neemt zijn vaderschap serieus op. Hij hoopt met haar te trouwen.

“Welkom in jouw gemeente”, grijnst burgemeester Alexander Alvarado, wanneer hij me de hand schudt. “Je herinnert me nog?” vraag ik hem verbaasd. “Natuurlijk!”, zegt de miskito. Zeven jaar geleden was hij gemeentesecretaris en bood hij altijd een helpende hand bij ons onderzoek. Hij bracht Liesbet en mij naar afgelegen mayagnadorpen, naar de ateliers van güiriceros, naar veeboeren… en hij ging ’s avonds mee naar de discotheek.

Bonanza is gegroeid. Volgens Francisco Mairena, die ter plaatse het natuurreservaat van Bosawás opvolgt voor het milieuministerie, is de bevolking de laatste 15 jaar verdrievoudigd, vooral door immigratie. Bonanza telt momenteel 32.000 inwoners. Hij spreekt over ‘geofobie’ (de drang om veel grond te bezitten) en ‘veefobie’ (de drang om veel vee te bezitten), goudkoorts, de voortschrijdende landbouwgrens, houtkap… als oorzaken voor de immigratiegolf. Volgens hem biedt het uitgebreide natuurreservaat ook een onderkomen aan delinquenten. Vandaag de dag is een politiepost in Bonanza noodzakelijk, terwijl het dorp vroeger zo veilig was dat er geen ordediensten te bespeuren waren. “Heeft de immigratie het beschermd gebied aangetast?”, vraag ik hem bezorgd. “De kern blijft behouden, door de traditionele levensgewoonten van de mayagna’s, maar de bufferzone is erop achteruit gegaan.” De inheemse bevolking van mayagna’s leeft van kleinschalige landbouw, terwijl immigranten afkomstig uit de kustregio veel land en meer dan 500 runderen willen. Volgens Mairena is het ecologische bewustzijn bij de bevolking de laatste jaren echter sterk gestegen en komen velen klacht neerleggen als ze inbreuken zien. Bovendien is het aantal bosbranden de laatste zes jaar fel afgenomen. Maar een sterk georganiseerde houtmaffia blijft actief in de bufferzone van Bosawás: “De groei van de maffia houdt gelijke tred met de bevolkingsgroei in de straten van Bonanza”, drukt Mairena bezorgd uit. “Arme boeren worden zonder dat ze het beseffen meegesleurd in een ingewikkeld net van illegale houtkap, in ruil voor geld.”

's Avonds ontmoet ik een hotdogverkoper uit Matagalpa. “Dat is de koffiestreek van Nicaragua”, zeg ik hem verwonderd, “valt er daar dan geen geld te verdienen?” “Hier verdien ik beter”, zegt de verkoper, “door de mijnbouw vloeit er veel geld in Bonanza.” Het valt me op dat na 19u ’s avonds alle restaurants gesloten zijn en enkel nog de cantina’s en gokplaatsen open zijn. Dat is een mannenwereld, daar zet ik geen voet binnen. Zatlappen gapen me nog steeds na vanaf dezelfde plaats als zeven jaar geleden, wanneer ik de hoofdstraat afwandel naar het hotel.

In Bonanza heerst verkiezingskoorts door de naderende regionale verkiezingen. De RAAN-regio, waartoe Bonanza behoort, kiest binnenkort een nieuw regionaal bestuur. Toeterende auto’s vol FSLN-sympathisanten rijden rondjes in Bonanza. “Je zou mee moeten manifesteren”, roept de sandinistische burgemeester Alexander me toe. Het mijndorp is altijd al een sandinistisch bastion geweest. Later, wanneer ik in Granada zit, lees ik in de krant dat de verkiezingen weinig transparant verlopen zijn. De regering stond niet alle ngo’s toe om de verkiezingen waar te nemen en aan de pers werd de toegang ontzegt tot verschillende officiële activiteiten van het Nicaraguaanse verkiezingscomité. Blijkbaar was dit ook het geval bij de gemeenteraadsverkiezingen uit 2008. Enkel Venezolaanse waarnemers, gezonden door Hugo Chávez, werden toen toegestaan. Ngo’s klagen dit keer dat de inkt gemakkelijk uitwasbaar was en dezelfde mensen dus verschillende keren hun stem konden uitbrengen. In Bonanza verliepen de verkiezingen rustig. “We hebben twee raadsleden binnengehaald”, vertelt Gregorio me achteraf aan de telefoon, verwijzend naar het FSLN.

0 reacties:

Een reactie plaatsen