En zo vervlogen er vele jaren, zonder de minste intentie om terug te keren naar Nicaragua, totdat ik voor een jaar in Guatemala belandde. “Ik kan onmogelijk dit continent verlaten zonder een bezoek aan Nicaragua te hebben gebracht”, dacht ik bij mezelf. Want al die jaren had ik nog sporadisch contact met Nicaraguaanse vrienden uit Managua en Bonanza. En dus kocht ik, twee weken voordat ik terug naar België zou keren, een busticket naar Managua. ’t Was nu of nooit.
Ortega, de vergane glorie van het sandinisme
Na 21 uur rijden - de bus van King Quality loopt veel vertraging op en valt bovendien twee uur in panne, ook de airco werkt niet - kom ik gebroken en gebraden aan in Managua. Karen en haar familie vangen me met open armen op en hangen de volgende dag een hangmat op, zodat ik tot rust kan komen. De reis heeft me helemaal misselijk gemaakt en ik heb barstende hoofdpijn. Nadat de stevig gebouwde moeder van Karen de hangmat heeft uitgetest, strijk ik me neer en dommel in. Totdat ik een krak hoor. Veel tijd om na te denken heb ik niet. Ik val met hangmat en al op de grond. Niets gebroken, veel gelach, maar het is wel pijnlijk.
De familie van Karen neemt me mee naar de Mirador Loma Tiscapa,
Bonanza: brengt goud ontwikkeling?
Gregorio heeft meegevochten met de guerrilla, in de jaren zeventig en tachtig. Hij kwam als idealistische student terug uit Cuba, wanneer de Nicaraguaanse burgeroorlog volop aan de gang was. Hij wierp zich meteen in de strijd. Bonanza was één van de laatste verzetshaarden die de wapens neerlegde. Ik herinner me nog zijn verhalen van jaren geleden, toen hij me vertelde over de oorlogsgruwelen die hij had beleefd. Eén keer verloren ze een kameraad in de strijd en om zijn lichaam te kunnen bezorgen aan zijn ouders, moesten ze zijn ingewanden eruit halen om het gewicht dragelijk te maken, tijdens de dagenlange tocht naar de thuisbasis.
Bonanza is veranderd na zeven jaar. Wanneer het kleine vliegtuig van La Costeña rakelings over een bergtop afdaalt naar de landingsbaan, merk ik een nieuwe buurt op rond de ‘luchthaven’, die enkel bestaat uit een piste, een administratief gebouwtje van zo’n vier vierkante meter en een nieuw restaurant. Er is geen taxi te bespeuren, dus geeft iemand van het mijnbedrijf me een lift. “Naar het gemeentehuis”, zeg ik, want het hotel van Isabel bevindt zich er recht tegenover. Wanneer de auto stopt voor een nieuw groen gebouw, waarop “Alcaldía Municipal Bonanza” prijkt, vraag ik verward: “Is dit het nieuwe gemeentehuis?” Iedereen schiet in de lach. “Hup naar het oude”, reageer ik. Ik herken het hotel van Isabel niet meer, het heeft een volledige facelift gekregen. Maar Isabel ziet er nog vrijwel hetzelfde uit, we vliegen elkaar in de armen. Ze geeft me één van de eerste kamers, waar Liesbet vroeger in geslapen heeft, de economiestudente die op hetzelfde moment als ik ook een thesisonderzoek over Bonanza deed. Toen had Isabel slechts twee kamers in het hoofdgebouw, nu heeft ze er twaalf.
De hoofdstraten van Bonanza zijn geasfalteerd en vlak naast het hotel is er een bank. Ik herinner me nog dat Gregorio me vertelde dat de inwoners van Bonanza niet de gewoonte hadden om geld op een bankrekening te zetten. “Ze hebben geen langetermijnvisie en geven hun geld direct uit.” Hij gaf het voorbeeld van iemand uit Bonanza die de lotto had gewonnen: de gelukzak huurde een helikopter met drank en prostituees en gaf zo al zijn gewonnen geld in één dag uit. De eerste bank in Bonanza verdween dan ook weer gauw. Nu zijn de tijden blijkbaar veranderd, de bank doet gouden zaken.
Ook Isabel is een jaar geleden getrouwd. Zij is moeder van drie kinderen, telkens van een andere man, en is daarvoor nooit getrouwd geweest. Tot ze tot het besef kwam dat ze niet alleen oud wilde worden. Maar ze maakt veel ruzie met haar echtgenoot en denkt er al aan om te scheiden. Ik herinner me nog dat haar kinderen me overal mee naar toe namen, naar de rivier, de markt, de heuveltop… Kelvin is er nu 17 en werkt als güiricero: hij haalt stenen uit een mijnschacht en klopt ze fijn, om ze vervolgens te verkopen aan het mijnbedrijf. Hij wil niet meer studeren. “Het is een bandiet, hij drinkt, rookt en denkt alleen maar aan vrouwen”, zegt zijn moeder. Xochilth is er nu 13 en studeert in Managua met haar broer Tony van 23, die ondertussen al een driejarige dochter heeft met een meisje uit Bonanza. Het was een ongeluk, zoals zoveel kinderen in Nicaragua, maar hij neemt zijn vaderschap serieus op. Hij hoopt met haar te trouwen.
“Welkom in jouw gemeente”, grijnst burgemeester Alexander Alvarado, wanneer hij me de hand schudt. “Je herinnert me nog?” vraag ik hem verbaasd. “Natuurlijk!”, zegt de miskito. Zeven jaar geleden was hij gemeentesecretaris en bood hij altijd een helpende hand bij ons onderzoek. Hij bracht Liesbet en mij naar afgelegen mayagnadorpen, naar de ateliers van güiriceros, naar veeboeren… en hij ging ’s avonds mee naar de discotheek.
Bonanza is gegroeid. Volgens Francisco Mairena, die ter plaatse het natuurreservaat van Bosawás opvolgt voor het milieuministerie, is de bevolking de laatste 15 jaar verdrievoudigd, vooral door immigratie. Bonanza telt momenteel 32.000 inwoners. Hij spreekt over ‘geofobie’ (de drang om veel grond te bezitten) en ‘veefobie’ (de drang om veel vee te bezitten), goudkoorts, de voortschrijdende landbouwgrens, houtkap… als oorzaken voor de immigratiegolf. Volgens hem biedt het uitgebreide natuurreservaat ook een onderkomen aan delinquenten. Vandaag de dag is een politiepost in Bonanza noodzakelijk, terwijl het dorp vroeger zo veilig was dat er geen ordediensten te bespeuren waren. “Heeft de immigratie het beschermd gebied aangetast?”, vraag ik hem bezorgd. “De kern blijft behouden, door de traditionele levensgewoonten van de mayagna’s, maar de bufferzone is erop achteruit gegaan.” De inheemse bevolking van mayagna’s leeft van kleinschalige landbouw, terwijl immigranten afkomstig uit de kustregio veel land en meer dan 500 runderen willen. Volgens Mairena is het ecologische bewustzijn bij de bevolking de laatste jaren echter sterk gestegen en komen velen klacht neerleggen als ze inbreuken zien. Bovendien is het aantal bosbranden de laatste zes jaar fel afgenomen. Maar een sterk georganiseerde houtmaffia blijft actief in de bufferzone van Bosawás: “De groei van de maffia houdt gelijke tred met de bevolkingsgroei in de straten van Bonanza”, drukt Mairena bezorgd uit. “Arme boeren worden zonder dat ze het beseffen meegesleurd in een ingewikkeld net van illegale houtkap, in ruil voor geld.”
's Avonds ontmoet ik een hotdogverkoper uit Matagalpa. “Dat is de koffiestreek van Nicaragua”, zeg ik hem verwonderd, “valt er daar dan geen geld te verdienen?” “Hier verdien ik beter”, zegt de verkoper, “door de mijnbouw vloeit er veel geld in Bonanza.” Het valt me op dat na 19u ’s avonds alle restaurants gesloten zijn en enkel nog de cantina’s en gokplaatsen open zijn. Dat is een mannenwereld, daar zet ik geen voet binnen. Zatlappen gapen me nog steeds na vanaf dezelfde plaats als zeven jaar geleden, wanneer ik de hoofdstraat afwandel naar het hotel.
In Bonanza heerst verkiezingskoorts door de naderende
0 reacties:
Een reactie plaatsen