Mijnbouw in Sipakapa
In Sipakapa geraken loopt nog niet van een leien dakje. Er zouden twee auto's vertrekken op
Sipakapa is een bekende gemeente in de grensregio van San Marcos. Samen met buurgemeente San Miguel Ixtahuacán delen ze sinds 2005 een mijnbedrijf op hun grondgebied. Goudmijn Marlin van het Canadese bedrijf Goldcorp Inc. ligt voor 15% op Sipakapens territorium en voor 85% in de andere gemeente. Maar net als San Miguel Ixtahuacán ondervindt ook Sipakapa negatieve effecten van de mijnbouw: barsten in de muren van huizen door de grondtrillingen veroorzaakt door ontploffingen en zwaar transport; gezondheidsproblemen zoals haaruitval, huiduitslag en zelfs vergiftiging met de dood als gevolg bij mijnwerkers die continu in contact komen met gevaarlijke stoffen; tekort aan water etc. De laatste jaren hebben beiden gemeenten zich georganiseerd in hun strijd tegen het mijnbedrijf en werden ze overspoeld door ettelijke ngo's. Mijn Marlin is een goed voorbeeld van hoe mijnbouw in Latijns-Amerika de vrije hand krijgt van corrupte overheden. Laten we beginnen bij het begin: het terrein dat de mijn in Sipakapa bezet is wel degelijk communautair grondbezit van Sipakapa, zo bewijst een eigendomstitel uit 1816. Heeft de overheid dit even zomaar over het hoofd gezien toen ze de grond toekende aan het mijnbedrijf? Waren de ambtenaren verblind door de schamele 1% die het mijnbedrijf hen zou afstaan? De corrupte regering dacht waarschijnlijk dat de inheemse bevolking van Sipakapa niet pienter genoeg was om erachter te komen. Dat kan hen wel eens heel zuur opbreken. De inwoners van Sipakapa hebben twee jaar geleden een klacht ingediend tegen de Guatemalteekse staat bij het Inter-Amerikaanse Hof voor de Mensenrechten, een orgaan van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS). Samen met de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten, die de klacht eerst moet bekijken - en dat kan wel eens tien jaar duren, waakt zij over de mensenrechten op het Amerikaanse continent. De juridische strijd in Guatemala werd beslecht door het Constitutionele Hof, de hoogste nationale juridische autoriteit, die in haar vonnis stelt dat de volksraadpleging in Sipakapa wel geldig werd uitgevoerd naar Guatemalteeks recht… maar niet bindend is. In deze volksraadpleging, gehouden op 18 juni 2005, stemde de overgrote meerderheid van de bevolking tegen de mijnbouw. Sipakapa wierp in elk geval de eerste steen, want nadien volgden andere gemeenten en regio's in gelijkaardige gevallen hun voorbeeld. Het zou het Constitutionele Hof wel eens op andere gedachten kunnen brengen, ze bestuderen momenteel immers hoe andere Centraal-Amerikaanse landen juridisch gereageerd hebben op dergelijke volksraadplegingen. Het is allemaal nieuw voor Guatemala en er bestaat geen duidelijke wetgeving rond volksraadplegingen: Sipakapa heeft geput uit het gemeentelijke reglement.
Wanneer bekend werd dat Sipakapa de juridische strijd in Guatemala verloren had, pakten vele ngo's hun biezen en vertrokken met de noordenwind. De leiders van Sipakapa zoeken nu meer toenadering tot CONIC, want ze willen zich als verzetsorganisatie versterken. En dat is de voornaamste verdienste van CONIC: ze delen niet zozeer geld of projecten uit (laten we nu even dat meststoffenproject vergeten), maar versterken de organisatiekracht van inheemse gemeenschappen. Daarom is vrijwel de hele bestuursraad van CONIC aanwezig in Sipakapa op 8 februari om de 27 dorpsleiders te ontmoeten en met hen van gedachten te verwisselen. Ze krijgen alvast een vlag van CONIC om het mijnbedrijf schrik aan te jagen…
In de namiddag bezoeken we de burgemeester van Sipakapa. Hij maakt deel uit van het 'verzet' (resistencia) en heeft net voor ons bezoek van één van de promotoren van het mijnbedrijf. Deze promotoren gaan van huis tot huis, van burgemeester tot burgemeester, om de inwoners te overtuigen van de voordelen van de mijnbouw. Officieel moet het mijnbedrijf aan Sipakapa geen taksen betalen, maar het heeft de burgemeester laten weten dat het een 'vrijwillige financiële bijdrage' wil leveren. Burgemeester Delfino Tema heeft nog altijd niet beslist of de gemeente het geld zal aanvaarden of niet. "Vele inwoners die werken in de mijn, zien de mijnbouw niet graag vertrekken. Het is een bron van inkomsten. Heeft u alternatieven te bieden?", vraag ik rechtstreeks aan de burgemeester tijdens het vragenuurtje. "We hebben een alternatief plan opgesteld", reageert Tema. Hij ziet toekomst in de koffieteelt. Normaal zou de Nederlandse ngo Solidaridad het plan steunen, maar na wat meningsverschillen kwamen ze niet meer met steun over de brug. Tot zover het plan, dat nu opgeborgen ligt in een van de vele lades van het gemeentehuis.
Ajuinen uit Sololá
Op woensdag 10 februari vertrek ik met lievelingscollega Oscar - door zijn lichaamsomvang is het ook echt een knuffelbeer - naar Sololá, waar we een project van de Belgische ngo Oxfam-Solidariteit bezoeken. Het project werkt met negen gemeenschappen van groente- en fruitboeren, vier uit Sololá en vijf uit Suchitepéquez, aan een betere en alternatieve afzetmarkt - als het kan zonder tussenpersonen. Om een voorbeeld te geven: als de boeren 1000 limoenen verkopen aan tussenhandelaren in dezelfde regio, krijgen ze daar 2,5 euro voor. Als ze de limoenen rechtstreeks verkopen op een markt van tussenhandelaren in de hoofdstad, krijgen ze er 12,5 euro voor.
We ontmoeten boer Emilio in zijn ajuinenveld. Terwijl hij ons rondleidt, wieden en spitten zijn vrouw en kinderen een hogerop gelegen veld. Aan water heeft don Emilio geen gebrek, hij heeft een aantal bronnen op zijn grondgebied liggen. "Ajuinen groeien goed aan de oever van het meer van Atitlán, ook kolen en verscheidene lokale kruiden, zoals chipilín en mora", vertelt hij ons. Normaal zouden de groenteboeren van zijn dorp Tierra Linda morgen naar de markt in Chicacao gaan, in de zuidelijke regio van Suchitepéquez, maar ze liggen met elkaar in conflict over de camion die CONIC hen ter beschikking stelt. "Het is altijd hetzelfde", zucht Oscar, "als je hen iets geeft dan maken ze er ruzie over." De camion gaat via een beurtrolsysteem om de drie maanden naar één van de vier gemeenschappen van Sololá, die vervolgens de hele periode met de camion naar de markt van Chicacao gaat. De dag voordat boer Emilio naar de markt gaat is hij soms wel van 7u 's ochtends tot 22u 's avonds in de weer om de koopwaar te oogsten, te wassen en samen te binden. En op de marktdag zelf moet hij om 2u 's ochtends opstaan om om 7u aan te komen in Chicacao. Terwijl ik geniet van de verse lucht en de ajuinengeur, discussiëren Emilio en Oscar verder over de camion. Volgens hen heeft het veel met politiek te maken. Sinds CONIC openlijk Winaq, de nieuwe politieke beweging van Nobelprijswinnares Rigoberta Menchú, steunt, proberen andere politieke partijen hen tegen te werken. "Och, het zal wel overwaaien", zegt Oscar, "we kunnen beter even de gemoederen laten bedaren."
Zwart strand in Monterrico
"Zin in vis?", vraagt Oscar me. Ja, daar heb ik wel zin in. En voordat ik het goed en wel besef zijn we op weg naar de Stille Oceaan. Ik ben nog nooit aan de westkust van Guatemala geweest, maar had al wel verhalen gehoord over de uitgestrekte stranden van zwart vulkanenzand. En dus neemt Oscar me bij wijze van afscheid mee naar Monterrico, de mooiste plek in Guatemala aan de Stille Oceaan. We eten vis, drinken koele limonades van verse limoenen, chillen in een hangmat, zwemmen in de Stille Oceaan… en worden 's avonds bestookt door hongerige muggen. Het is ook opmerkelijk warmer, wel zo'n tien graden meer dan in de hoofdstad - de thermometer toont 32 graden.
Oscar vertrekt de dag nadien, maar ik blijf nog wat langer. Ik bezoek een studiecentrum van de San Carlos-universiteit waar krokodillen, schildpadden en hagedissen worden gekweekt met het oog op het behoud van de bedreigde diersoorten. Elke week is er een 'schildpaddenrace', waarbij de babyschildpadden in zee worden vrijgelaten. Je kan 1 euro inzetten op een babyschildpad en als die als eerste de zee bereikt, win je een etentje in een lokaal restaurant. Wanneer ik nadien over het strand wandel, zie ik in de verte water opspuiten, gevolgd door een vin. Het is zover weg dat ik me afvraag of het wel om een walvis gaat, maar een lokale jongen haalt me uit mijn twijfel: "Kijk, walvissen!" Hoewel het van ver is, het is de eerste keer dat ik een walvis in het echt zie, mijn hart slaat even over.
Zaterdagochtend sta ik om 5u op om de zonsopgang boven het natuurreservaat van Monterrico mee te maken, vanuit een klein bootje dat voortgeduwd wordt door gids Carlos. Het is het perfecte tijdstip om vogels in volle actie te zien: pelikanen, reigers, kingfishers… En de krokodillen? Volgens Carlos zijn ze alleen erg actief 's nachts, overdag schuilen ze tussen de mangroven.
Als ik in de namiddag op het punt sta om te vertrekken met het openbaar vervoer, word ik aangesproken door een Noord-Amerikaan en zijn Zuid-Koreaanse kameraad. Ik had ze de avond voordien al opgemerkt, maar er weinig acht op geslagen. Ze zouden met de auto naar Guatemala City gaan en hebben nog wel een plekje vrij. Die kans laat ik natuurlijk niet aan me voorbij gaan. Als ik hen vertel wat ik in Guatemala doe, kijken ze me argwanend aan. "Je werkt met indianen?", vraagt één van hen. "Indianen is een scheldwoord, inheemsen klinkt beter", dien ik hem geprikkeld van antwoord. De Noord-Amerikaan zegt dat hij al tien jaar in Guatemala woont en een viskwekerij heeft. De inheemsen gunnen hem geen geluk, zegt hij, ze gunnen ook elkaar geen geluk. Hij heeft wel voor een deel gelijk, als ik ergens van verschoten ben tijdens mijn verblijf in Guatemala, is het wel van het egoïsme van de inheemse bevolking en hun interne verdeeldheid. Velen van hen streven individuele rijkdom na, ik heb al vaak gemerkt hoe dat tot spanningen leidt op de werkvloer. En ondanks haar demografische meerderheid slaagt de inheemse bevolking er niet in om de politieke macht te grijpen. Ze wantrouwen meer elkaar dan een ex-militair of rechtse politicus. Een spijtige zaak, dat wel. Ze zingen vaak "El pueblo unido jamás será vencido" (het volk verenigd zal nooit overwonnen worden), maar daden blijven uit. Dat geldt overigens niet alleen voor de inheemse bevolking, Guatemalteken zijn in het algemeen zeer jaloers op de rijkdom en het succes van andere mensen. "Dat is de reden waarom Guatemala geen vooruitgang kent", zegt mijn beste maat Amadeo, die voortdurend klaagt over de slechte werksfeer bij het nationale ballet, waar hij professionele danser is. "Guatemalteken gunnen elkaar geen succes." Om zijn stelling kracht bij te zetten haalt hij een lokale anekdote boven over Chinese en Guatemalteekse krabben: "Chinese krabben helpen elkaar gezamenlijk uit een put kruipen. Guatemalteekse krabben beletten elkaar om eruit te kruipen en trekken iedereen die naar boven probeert te kruipen naar beneden."
Onderweg naar de hoofdstad, vertelt de Noord-Amerikaan, Richard, dat hij naast een viskwekerij ook een huis heeft in Guatemala City, een appartement in Antigua en een vriendin die voor Sandra Torres, de echtgenote van de president werkt. Ik vraag me af of hij in louche zaken verwikkeld is, hij heeft in elk geval genoeg geld en is niet vies van corruptie: "Voor 15 quetzales geven ze je een ticket, voor 10 niet", lacht hij wanneer hij de taks betaalt bij het oversteken van de nieuwe brug van Monterrico naar Puerto Quetzal. Geen ticket wil zeggen dat het geld rechtstreeks in de zak belandt van de ambtenaar. Of zoals een politieagent tegen collega Oscar zei: "Mijn vriend en ik hebben dorst, kan je ons wat geld geven voor een frisdrankje?" Voor 20 quetzales of zo'n 2 euro werd Oscar verlost van een boete van 200 quetzales omdat hij zijn gordel niet droeg op weg naar Monterrico. Ik moest lachen, het deed me herinneren aan een hoop beleefde corruptieavonturen in Senegal.
Wanneer we aankomen in Guatemala City, aan het huis van de Zuid-Koreaan - die ondertussen niet meer recht kan lopen door de bierblikjes die hij tijdens de autorit leeggedronken heeft, geeft hij me een witte T-shirt, maat 5XL. Het komt tot aan mijn enkels, ik zwem erin. "Je kan de T-shirt gebruiken als pyjama", lacht Richard. Wie draagt nu zo'n grote T-shirts hier in Guatemala? "Niet in Guatemala, wel in de VS." Zo zit dat dus, de T-shirts worden hier gefabriceerd en gaan dan naar de VS. Waarschijnlijk komt de katoen uit Azië. Ik vraag me af of de Zuid-Koreaan een 'maquila' heeft, een textielfabriek in de industriële vrijzone van Guatemala waar het lokale personeel van vooral vrouwen wordt uitgebuit: ze kloppen dagen van soms wel 12 uren, worden slecht behandeld, hun rechten worden miskend en ze ontvangen een hongerloon. Ik gruwel bij de gedachte.
Zwart strand in Monterrico
"Zin in vis?", vraagt Oscar me. Ja, daar heb ik wel zin in. En voordat ik het goed en wel besef zijn we op weg naar de Stille Oceaan. Ik ben nog nooit aan de westkust van Guatemala geweest, maar had al wel verhalen gehoord over de uitgestrekte stranden van zwart vulkanenzand. En dus neemt Oscar me bij wijze van afscheid mee naar Monterrico, de mooiste plek in Guatemala aan de Stille Oceaan. We eten vis, drinken koele limonades van verse limoenen, chillen in een hangmat, zwemmen in de Stille Oceaan… en worden 's avonds bestookt door hongerige muggen. Het is ook opmerkelijk warmer, wel zo'n tien graden meer dan in de hoofdstad - de thermometer toont 32 graden.
Oscar vertrekt de dag nadien, maar ik blijf nog wat langer. Ik bezoek een studiecentrum van de San Carlos-universiteit waar krokodillen, schildpadden en hagedissen worden gekweekt met het oog op het behoud van de bedreigde diersoorten. Elke week is er een 'schildpaddenrace', waarbij de babyschildpadden in zee worden vrijgelaten. Je kan 1 euro inzetten op een babyschildpad en als die als eerste de zee bereikt, win je een etentje in een lokaal restaurant. Wanneer ik nadien over het strand wandel, zie ik in de verte water opspuiten, gevolgd door een vin. Het is zover weg dat ik me afvraag of het wel om een walvis gaat, maar een lokale jongen haalt me uit mijn twijfel: "Kijk, walvissen!" Hoewel het van ver is, het is de eerste keer dat ik een walvis in het echt zie, mijn hart slaat even over.
Zaterdagochtend sta ik om 5u op om de zonsopgang boven het natuurreservaat van Monterrico mee te maken, vanuit een klein bootje dat voortgeduwd wordt door gids Carlos. Het is het perfecte tijdstip om vogels in volle actie te zien: pelikanen, reigers, kingfishers… En de krokodillen? Volgens Carlos zijn ze alleen erg actief 's nachts, overdag schuilen ze tussen de mangroven.
Als ik in de namiddag op het punt sta om te vertrekken met het openbaar vervoer, word ik aangesproken door een Noord-Amerikaan en zijn Zuid-Koreaanse kameraad. Ik had ze de avond voordien al opgemerkt, maar er weinig acht op geslagen. Ze zouden met de auto naar Guatemala City gaan en hebben nog wel een plekje vrij. Die kans laat ik natuurlijk niet aan me voorbij gaan. Als ik hen vertel wat ik in Guatemala doe, kijken ze me argwanend aan. "Je werkt met indianen?", vraagt één van hen. "Indianen is een scheldwoord, inheemsen klinkt beter", dien ik hem geprikkeld van antwoord. De Noord-Amerikaan zegt dat hij al tien jaar in Guatemala woont en een viskwekerij heeft. De inheemsen gunnen hem geen geluk, zegt hij, ze gunnen ook elkaar geen geluk. Hij heeft wel voor een deel gelijk, als ik ergens van verschoten ben tijdens mijn verblijf in Guatemala, is het wel van het egoïsme van de inheemse bevolking en hun interne verdeeldheid. Velen van hen streven individuele rijkdom na, ik heb al vaak gemerkt hoe dat tot spanningen leidt op de werkvloer. En ondanks haar demografische meerderheid slaagt de inheemse bevolking er niet in om de politieke macht te grijpen. Ze wantrouwen meer elkaar dan een ex-militair of rechtse politicus. Een spijtige zaak, dat wel. Ze zingen vaak "El pueblo unido jamás será vencido" (het volk verenigd zal nooit overwonnen worden), maar daden blijven uit. Dat geldt overigens niet alleen voor de inheemse bevolking, Guatemalteken zijn in het algemeen zeer jaloers op de rijkdom en het succes van andere mensen. "Dat is de reden waarom Guatemala geen vooruitgang kent", zegt mijn beste maat Amadeo, die voortdurend klaagt over de slechte werksfeer bij het nationale ballet, waar hij professionele danser is. "Guatemalteken gunnen elkaar geen succes." Om zijn stelling kracht bij te zetten haalt hij een lokale anekdote boven over Chinese en Guatemalteekse krabben: "Chinese krabben helpen elkaar gezamenlijk uit een put kruipen. Guatemalteekse krabben beletten elkaar om eruit te kruipen en trekken iedereen die naar boven probeert te kruipen naar beneden."
Onderweg naar de hoofdstad, vertelt de Noord-Amerikaan, Richard, dat hij naast een viskwekerij ook een huis heeft in Guatemala City, een appartement in Antigua en een vriendin die voor Sandra Torres, de echtgenote van de president werkt. Ik vraag me af of hij in louche zaken verwikkeld is, hij heeft in elk geval genoeg geld en is niet vies van corruptie: "Voor 15 quetzales geven ze je een ticket, voor 10 niet", lacht hij wanneer hij de taks betaalt bij het oversteken van de nieuwe brug van Monterrico naar Puerto Quetzal. Geen ticket wil zeggen dat het geld rechtstreeks in de zak belandt van de ambtenaar. Of zoals een politieagent tegen collega Oscar zei: "Mijn vriend en ik hebben dorst, kan je ons wat geld geven voor een frisdrankje?" Voor 20 quetzales of zo'n 2 euro werd Oscar verlost van een boete van 200 quetzales omdat hij zijn gordel niet droeg op weg naar Monterrico. Ik moest lachen, het deed me herinneren aan een hoop beleefde corruptieavonturen in Senegal.
Wanneer we aankomen in Guatemala City, aan het huis van de Zuid-Koreaan - die ondertussen niet meer recht kan lopen door de bierblikjes die hij tijdens de autorit leeggedronken heeft, geeft hij me een witte T-shirt, maat 5XL. Het komt tot aan mijn enkels, ik zwem erin. "Je kan de T-shirt gebruiken als pyjama", lacht Richard. Wie draagt nu zo'n grote T-shirts hier in Guatemala? "Niet in Guatemala, wel in de VS." Zo zit dat dus, de T-shirts worden hier gefabriceerd en gaan dan naar de VS. Waarschijnlijk komt de katoen uit Azië. Ik vraag me af of de Zuid-Koreaan een 'maquila' heeft, een textielfabriek in de industriële vrijzone van Guatemala waar het lokale personeel van vooral vrouwen wordt uitgebuit: ze kloppen dagen van soms wel 12 uren, worden slecht behandeld, hun rechten worden miskend en ze ontvangen een hongerloon. Ik gruwel bij de gedachte.
0 reacties:
Een reactie plaatsen