vrijdag 22 januari 2010

Nieuwjaar, Mennonieten, royal rats en brulapen (deel 6)

Op donderdag 31 december steken we de grens over naar Belize. Het verschil met de Mexicaanse bussen is groot. Maar niet getreurd, de Belizaanse bus heeft stoffen zetels en airconditioning, zo'n luxebus heb ik nog nooit gezien in Belize, laat ik me ontvallen. De bus vertrekt in Chetumal (Mexico) en zou ons 'direct' naar Belize City brengen, maar stopt toch in Corozal en Orange Walk. Ik kijk bezorgd op mijn klok. Ik herinner me van tijdens mijn reis met Nele dat in Orange Walk de wet van de sterkste geldt: iedereen kruipt op de bus om zich als sardienen in een blik te voelen en vervolgens terug af te stappen. In de meeste grote busstations leiden mannen in gele T-shirts het passagiersverkeer in goede banen, maar niet in Orange Walk. Theoretisch gezien mag niemand in de bus rechtstaan en moet iedereen een zitplaats hebben. Wel, de bus zit al vol wanneer hij aankomt in Orange Walk, maar we verliezen veel tijd aan op- en afstappende passagiers. Een kwartier voor de laatste taxiboot naar Caye Caulker komen we aan in Belize City. We springen in allerijl in een taxi om vijf minuten voor de afvaart aan te komen aan de steiger. "Don’t worry, madam, we'll make it", stelt de taxichauffeur ons gerust. Al een Chance. Ik heb echt geen zin om Nieuwjaar door te brengen in Belize City.

Het is al donker wanneer we aankomen in Caye Caulker. De fles Cava, die ik al heel de reis meesleur (en die Nele heeft meegebracht vanuit België), heeft zijn bestemming bereikt. Met volle kracht vliegt de stop eraf en kom ik onder de Spaanse schuimwijn terecht. Roberto schuift vlug onze 'champagneglazen' (de boven- en onderkant van een plastieken waterfles) onder de fles. We toosten op Oudejaar op de pier voor ons hotel, onder een volle maan. Later op de avond eten we kreeft, drinken we panty rippers (Belizaanse cocosrum met ananassap) en aanschouwen een feestende menigte. De politie jaagt ons om 1u uit de I&I reggaebar en de enige discotheek op het eiland zit stampvol. We zijn beiden moe van een druk reisprogramma en vallen in slaap met het geluid van klotsende golven.

De eerste dag van 2010 is bewolkt, met een flinke zeebries en af en toe wat regen. Roberto wil niet gaan snorkelen met Juni, dus besluiten we om wat rond te hangen en uit te rusten. We wandelen tot het zuidelijke punt van het eiland, maar het pad wordt modderig en verdwijnt tussen de mangroven, we lopen vlug terug, achternagezeten door duizenden hongerige muggen. Heel de avond en nacht vallen er stortbuien.

Zaterdag nemen we om 7u30 de watertaxi naar Belize City. Roberto neemt een directe bus naar Flores en Tikal (Guatemala), ik heb nog een week vakantie en besluit om verder te relaxen in San Ignacio. Een lokale bus zet me in de namiddag af in het grensstadje. Kenny staat me op te wachten in zijn hotel, mijn kamer is al klaar. De zaken gaan goed, hij is voor weken volzet. De eerste keer dat ik Kenny zag, was ik overdonderd: lang, mager, in slordige kleren, een indringende zweetgeur, een gebit dat een oorlog overleefd lijkt te hebben, een waterval aan woorden. Als het niet voor Kenny en de couleur locale van het hotel was, dan zou ik voor geen geld naar zijn hotel terugkeren. Zonder oorstoppen doe je geen oog dicht, door de centrale ligging van het hotel hoor je heel de nacht feestgedruis. En Kenny drinkt of rookt af en toe ook wel eens teveel, maakt ruzie met zijn liefjes en roept zo heel het hotel wakker. Hij zegt altijd dat hij drie vrouwen heeft en zeven lieven, hij liegt niet, hoewel hij niet getrouwd is met de drie moeders van zijn kinderen. Kenny beseft zelf dat hij zijn leven verpest heeft en het minst bereikt heeft van al zijn broers en zussen. Hij had nochtans alle kansen van de wereld, zijn moeder werkte bij de VN en ze woonde met haar kroost in New York. Maar Kenny is een beschermheer, hij wil dat zijn gasten zich veilig voelen in zijn hotel en niemand mag een gast ongevraagd komen lastig vallen. En zijn baby brother, jongere broer, die veiligheidsagent is, is net hetzelfde, alleen in een mooiere versie. Op een avond tref ik hem huilend aan: "Mijn vriendin heeft me laten zitten", snikt hij. Ik probeer hem te troosten maar hij zegt dat ik hem nooit zou begrijpen, omdat ik een vrouw ben. Tja, is het hartenleed van een man dan zo verschillend van dat van een vrouw? Ik wist niet dat hij er zo van aangedaan zou zijn, Belizaanse mannen hebben verschillende liefjes, wat maakt één meer of minder dan uit? De volgende dag staat hij op het terras van het hotel met een pint in zijn handen grapjes te maken over zijn tijd bij het leger en de politie. Het liefdesverdriet is vlug vergeten. Op straat ontstaat plots tumult. Van op het terras van Kenny zien we hoe een politieagent een gearresteerde man te lijf gaat: hij bokst met zijn vuist op het gezicht van de man, die achteraan in de politiewagen zit, met zijn hoofd uit het venster. Zou hij geprobeerd hebben te ontsnappen? Ik kijk het schouwspel onthutst aan. Hoe kan de politieman nu zomaar een gedetineerde in elkaar slaan, vraag ik me luidop af. Ik ken het antwoord al: we're in Belize.

Maandag vraagt Carlos of ik mee naar de grot van Actun Tunichil Muknal (ATM) wil. Liever een andere dag, antwoord ik hem, de grot gaat niet lopen. Ik heb een Fransman leren kennen, Manuel, en we zouden samen op uitstap gaan. Het eerste wat Manuel tegen me zei, wanneer hij de dag voordien in het hotel aankwam, was dat hij teleurgesteld is in Belize. Ik keek hem vragend aan. Hij haalde een boek boven van meer dan twintig jaar geleden. In dat boek beschrijft de auteur Belize als een mix van interessante en authentieke culturen. "Ik zie alleen maar toeristen", was de conclusie van Manuel na een aantal dagen rondgetrokken te hebben in Belize. "Je kan het Belize niet kwalijk nemen zichzelf ondertussen verder ontwikkeld te hebben en een bloeiende toeristenindustrie opgebouwd te hebben", zei ik tegen hem. "Toerisme biedt werk aan velen. Maar als je met de lokale bevolking praat, ben ik er zeker van dat jij het authentieke Belize zal terugvinden." En dus vroeg Manuel of ik met hem op zoek wou gaan naar het authentieke Belize in een aantal Mennonietengemeenschappen.

Manuel spreekt naast perfect Engels ook vloeiend Duits. Zijn vrouw is afkomstig uit Duitsland en is thuis gebleven omdat ze hoogzwanger is. "Dit is mijn laatste reis voordat ik vader word", zegt hij trots. Het is vooral ook handig, want Mennonieten spreken een oude vorm van Duits en verstaan ook wel wat modern Duits. Je kan de Mennonieten vergelijken met de Amish in de VS, maar er zijn verschillen in geloof en vooral hoe die in de praktijk te brengen. Wat ze wel gemeen hebben, is dat ze heel gelovig zijn en strikte, naar onze normen soms conservatieve of primitieve, regels hanteren. In Belize zijn er twee sterk verschillende gemeenschappen van Mennonieten: zij die technologische vooruitgang aanvaarden en zij die dat niet aanvaarden. De eersten worden ook wel 'mecanites' of 'moneynites' genoemd, ze hebben grote delen van de nationale economie in handen (kippen, bouwmateriaal, melkproducten, groenten etc.) en rijden allen rond met auto's of moto's. De meer traditionele Mennonieten rijden rond met paard en kar, hebben geen ijskast of elektriciteit en bewerken het land op een primitieve manier, zonder machines of tractoren. Ze kleden zich op een sobere manier: de vrouwen dragen lange jurken en hoofddeksels, de mannen hebben allemaal een lange baard, hoed en een broek met bretellen. Ze lijken wel geplukt uit het Middeleeuwse Vlaamse platteland. Maar ook zij telen volop groenten en verkopen ze op de markt in San Ignacio, waardoor ze deel zijn gaan uitmaken van het Belizaanse straatleven.

Manuel breekt het ijs. Niet alleen omdat hij Duits spreekt, maar ook omdat hij als man het gezinshoofd aanspreekt. Uit respect voor hun regels, zou ik als vrouw nooit een traditionele Mennonietenman aanspreken. Je weet nooit dat dat in het verkeerde keelgat schiet. Het zijn vooral de mannen die op straat komen, de vrouwen blijven thuis voor het huishouden. Ze hebben gemiddeld 15 kinderen. Manuel probeert een lift te versieren op een paardenkar van een vader met zoon uit een traditionele gemeenschap uit Barton Creek, die naar de markt van San Ignacio zijn afgezakt. Tevergeefs, ze hebben een volle lading. We besluiten om de bus te nemen naar Georgeville, van waaruit een weg naar Barton Creek loopt. We treffen een Mennonietenfamilie aan langs de weg, met paardenkar. Ook zij zijn volzet, ze wachten op een tweede familie om samen naar Barton Creek te rijden. Ze vertellen dat ze zo'n drie uur moeten rijden om hun dorp te bereiken, met de auto is het drie keer minder. Het valt me op hoe vriendelijk en open ze zijn. Ze hebben een tante uit Kentucky (VS) op bezoek, ze loopt op blote voeten. Mennonieten mogen niet vliegen, maar de bus nemen is wel toegestaan. Velen hebben familie in Noord-Amerika en reizen vaak om elkaar te bezoeken. De gemeenschappen hebben elk hun eigen school en leraren, de kinderen leren tot hun 14 jaar lezen en schrijven om de bijbel te interpreteren, andere literatuur is niet toegelaten. Iedereen is welkom in hun gemeenschap, zolang ze maar hun regels respecteren.

Jongens op moto's razen verschillende keren voorbij en tonen gevaarlijke kunstjes. Het zijn de moderne Mennonieten, op weg naar Spanish Lookout. Wij volgen ze iets later, dankzij een lift van twee zwarte Belizeanen. Is dit nu Spanish Lookout, vragen we ons af. Een lijnrechte straat, omzoomd met fabrieken en enkele winkels. We zoeken een plek om te lunchen, er staat alleen maar kip op het menu: chicken from Spanish Lookout! "Wij zorgen voor 80% van de Belizaanse productie van kippen, maïs en bonen", vertelt een vertegenwoordiger van de gemeenschap nadien. En niet alleen dat, iedereen uit de omgeving koopt hier zijn bouwmateriaal en ze produceren het beste ijs van Belize, althans volgens de Belizeanen - Manuel en ik vonden het ijs te smeuïg. Ook de politici van Belize beseffen hoe belangrijk de Mennonieten zijn voor de nationale economie. "De premier komt een aantal keer per jaar langs, maar wij stemmen niet, we willen geen geweld en politiek is gewelddadig", aldus de vertegenwoordiger. Ze gebruiken volop moderne technologie en sommige gezinnen hebben zelfs een televisie, hoewel niet iedereen daar blij mee is. Voordat de Mennonieten naar Belize kwamen, woonden ze in Canada. Maar toen de regering hen verplichtte om zich aan te sluiten bij de militaire dienst, vluchtten ze naar Belize, die hen met open armen en zonder enige verplichting ontving. Momenteel wonen er Mennonieten in Belize, Mexico, Bolivia… en ook terug in Canada nadat de militaire dienst daar werd afgeschaft en privéscholen werden toegestaan. Langere tijd terug in de geschiedenis, woonden ze in Rusland, Pruisen, Holland en Duitsland. Manuel is in zijn nopjes: "Deze dag heeft mijn reis weer zin gegeven", lacht hij 's avonds bij een biertje.

De rest van de week doe ik zowat elke tour in aanbod. Dinsdag vaar ik met een kano op de Macal-rivier naar het luxekampement Chaa Creek, waar ik leer hoe de prachtige blauwe vlinder Blue Morpho zich voortplant. Het duurt zo'n drie tot vier maanden voordat uit het ei een volwaardige vlinder groeit, die vervolgens slechts twee tot drie weken leeft. Genoeg tijd om zich voort te planten, want 24 uur na haar geboorte uit de cocon is het vrouwtje al vruchtbaar.

Woensdag ga ik naar de droge grot van Che Chem Ha, die zo'n twintig jaar geleden ontdekt werd door de honden van William. Hij was toen een tiener, zoon van de eigenaar van de gronden. Hij gidst me nu rond in de grot. Er liggen her en der potten - de meeste van hen nog ongebroken - een aantal beschilderde schalen, assen en stukjes stalactieten. Volgens de maya's die in deze grot hun rituelen uitvoerden, waren stalactieten de wortels van de heilige boom en kon men zo in contact komen met de onderwereld.

Donderdag verken ik de grot van Barton Creek per kano. De grot is op sommige plekken zo nauw dat we ons moeten bukken om er door te geraken. Het is prachtig. Ook hier troffen archeologen schedels en potten aan. Een interessante ontdekking is de 'mayabrug', een brug over de stroom drie duidelijk door de maya's gegoten werd uit kalksteen.

Vrijdag ga ik op cave tubing excursie met Edie, de broer van Carlos. We laten ons op zwembanden meedrijven met de stroom, doorheen verschillende grotten. Steve en Elsie, leuke mensen uit de VS en Canada, sporen me aan om met hen ziplining te doen, via een kabel door het woud te glijden. Na lang aandringen en nadat ik ook Edie heb kunnen overtuigen, spring ik mee op de boot. Ik ben best wel zenuwachtig, maar na de eerste kabelbanen krijg ik er niet genoeg van. Iedereen lacht, "Je hebt een glimlach van hier tot ginder". Ook Edie betrap ik erop zenuwachtig te zijn.

Zaterdag ga ik voor de derde keer naar de ATM-grot met Carlos, we zijn met zeven toeristen. Het regent en is koud, het pad naar de grot is enorm glibberig. Ik schiet in de lach met iemand die uitglijdt en in de modder valt, niet veel later lig ik zelf op de grond. Wie laatst lacht, best lacht. De grot geeft altijd nieuwe indrukken, hoe vaak ik er ook kom. Natuurlijk is de eerste keer de beste keer, maar ik geniet telkens opnieuw van de mystiek en veranderende rotsformaties. Bovendien vertelt Carlos altijd andere anekdotes. Ik betrap me erop dat ik de laatste toeristen in de rij meer uitleg geef. Zou dat mijn nieuwe roeping zijn, gids?

Op een avond spreekt een man met dikke dreadlocks me aan in Eva's, de bar naast mijn hotel. Hij heet Lazarus en ik ben ervan overtuigd dat hij uit de VS komt. Hij zegt dat hij Belizeaan is en ik kijk hem verbaasd aan. Zijn ouders komen uit Honduras en El Salvador. Ik lach, daarom dat je zo'n fijne gelaatsuitdrukking hebt. Hij noemt zichzelf de jongste miljonair van Belize. Je zou het niet zeggen, naast zijn dreadlocks loopt hij er onverzorgd bij. Hij heeft een 'ranch' in de bergen, maar zijn hut bestaat uit twee metalen relingen, puur natuur. Hij vraagt of ik geen zin heb om naar zijn ranch te komen. Met deze koude? Ik bedank. Hij vertelt zijn levensloop. Hij heeft nooit verder gestudeerd, maar zijn oudere broer heeft hem de knepen van het vak geleerd en nu is hij een gerespecteerde field engineer. Hij nodigt me uit voor een "duur biertje", op het hoogste punt van San Ignacio - waar ik ontvangst heb met mijn Guatemalteekse telefoon, recht tegenover de ruïnes van Cahal Pech, in de bar van het gelijknamige hotel. Het is het duurste hotel van San Ignacio en heeft een fantastisch uitzicht. Ik weet dat Carlos hier vaak komt om zijn e-mail te checken, hij neemt toeristen van het hotel mee naar de ATM-grot. Gelukzak, denk ik bij mezelf.

Carlos en Edie beloven me dat we zondagavond gaan kamperen, ze weten nog niet waar, in Barton Creek naast een rivier of in El Pilar op een bergtop naast mayaruïnes. Ik begin onze uitstap volop te plannen en zoek andere toeristen om mee te gaan. Uiteindelijk vertrekken we zondagavond met een volle auto. Naast een vriend van Carlos en Edie gaat er ook een Canadees koppel mee. We hebben tenten mee, slaapmatten, dekens, rum, kip, tortilla's, koffie, brood, eieren… Onderweg zien we een gibnut of 'royal rat'. "Wanneer Koningin Elizabeth op bezoek was in San Ignacio, kreeg ze een gibnut voorgeschoteld als maaltijd, een royal rat voor een royalty", vertelt Edie. Mmm, het blijft een rat, denk ik bij mezelf. We komen aan op de bergtop waar de oude, vrijwel ongerestaureerde, site van El Pilar ligt. Met een hoofdlamp en borrel in de hand leidt ranger (bewaker) Ramón ons rond tussen de ruïnes. Hij praat zo luid dat hij al het nachtleven verjaagt. Hij is in zijn sas, hij krijgt niet altijd bezoek. Ze zijn met drie bewakers en worden pas na 12 dagen afgelost, de nachten zijn eenzaam. Als we terug aankomen bij onze kampeerplaats, heeft George, de vriend van Carlos en Edie, het avondmaal al klaargemaakt. Ik doe die nacht geen oog dicht. Niet omdat ik schrik heb van wilde dieren die in de tent zouden kunnen kruipen, maar omdat ik het ontzettend koud heb en telkens wakker schiet als ik brulapen hoor. Eén keer lijken ze zo dicht bij… en hun gebrul weergalmt over de hele vallei. Ik heb zin om niet te slapen en enkel naar hun gebrul te luisteren.

"Wanneer kom je terug naar Belize?", vraagt Edie, wanneer hij me op maandag 11 januari aan de grens met Guatemala afzet. Ik lach. We zien wel. Ik heb nog maar weinig tijd, op 17 maart vertrek ik naar België en ik moet mijn werk afronden, afscheid van iedereen kunnen nemen. Maar ja, als het kan, hoop ik nog een laatste keer terug te keren om ook van Belize afscheid te kunnen nemen.

0 reacties:

Een reactie plaatsen