vrijdag 22 januari 2010

Chichén Itzá en Tulum (deel 5)

Maandag staan Roberto en ik vroeg op, we hebben om 6u een vlucht naar Cancún. Op drie dagen tijd willen we de hoogtepunten in Yucatán en Quintana Roo bezoeken. Cancún valt uit de boot: te duur en buiten het strand valt er niet veel te zien. We hebben juist tijd om een half uurtje vanuit een lokale bus de luxe te aanschouwen, vooraleer we verder reizen naar Mérida, een stad vol mooie koloniale architectuur. We kuieren langs de Paseo de Montejo, een uitgestrekte boulevard versierd met bomen, kerstverlichting en koloniale gebouwen naar Europese stijl. Hier woonde vroeger de Mexicaanse elite van Mérida.

Na Oaxaca heeft ook Yucatán een uitgebreide en overheerlijke keuken. Vooral de panuchos vallen goed in de smaak en we eten ze bijna elke dag: gebakken tortilla's met een laag bonen en vlees, versierd met kaas en een vleugje chile. Roberto eet chilipepers totdat hij rood ziet en tussen zijn tanden blaast. Wat is daar nou aan, merk ik op, zo bewust lijden. Ik ben ondertussen ook goed gewoon geraakt aan pikante sauzen, maar ik waag me niet aan de habaneros, dat zijn de pikantste chilipepers van allemaal en zelfs een druppel kan je tong in brand steken. De Mexicaanse chilisauzen zijn heel lekker en worden altijd vers gemaakt, dat is niet altijd zo in Guatemala, waar je groene en rode brijen op tafel vindt die in de verte de smaak van chilipepers hebben. Het beste alternatief om in een fles te kopen is de chilisaus van Belizaanse bodem, Marie Scharp's, zeer lekkere chile in verschillende graden, van zoetzuur tot 'dodelijk' pikant.

Dinsdag vertrekken Roberto en ik vroeg naar Chichén Itzá om de grote toeristenstroom voor te zijn. Een slim plan, want wanneer we rond de middag de site verlaten, staat er aan de inkom een immense rij waar geen einde aan lijkt te komen. Die moeten zeker een uur aanschuiven. Chichén Itzá heeft de status van cultureel werelderfgoed. Een vriendin uit België had me echter gewaarschuwd: het krioelt er van de toeristen die de site als daguitstap bezoeken vanuit hun luxehotel en je kan nergens meer opkruipen. Ik twijfelde of het wel de moeite zou zijn. Nu twijfel ik niet meer, na een oprecht "waw" gevoel. Ik heb al veel prehispanische ruïnes bezocht, maar elke site heeft wel iets wat een andere niet heeft. Chichén Itzá heeft veel afbeeldingen van slangen, jaguars en gieren. Hiërogliefen van doodskoppen en mensenharten in de klauwen van gieren doen je fantaseren over folteringen en offers. In de nabijgelegen heilige vijver of cenote zijn trouwens menselijke beenderen gevonden, overblijfselen van rituele offers. Achter de belangrijkste tempel , El Castillo, bevindt zich een plein omringd met duizenden pilaren, sommigen met beeltenissen van krijgers. Net zo indrukwekkend is het balveld: ik heb nog nooit zo'n uitgestrekt balveld gezien, laat staan de ringen die aan elke kant van het veld in de hoogte tegen de muur prijken. Onderaan bevinden zich hiërogliefen die tonen hoe één van de twee spelers onthoofd wordt - het staat niet vast of het gaat over de winnaar of verliezer van het spel. Horden toeristen komen en gaan, ik bekijk elk detail van muren, tempels, treden etc. Ik word er stil en meditatief van. En Roberto? Die is in zijn sas, ik betrap hem op Mexicaanse trots, hij die zijn vakantie vooral buiten Mexico wou doorbrengen. Bedankt dat je me hebt meegenomen vriendin, zegt Roberto, volledig in de wolken. Het eerste wat hij wou zien was de tempel Caracol, zo genoemd naar de trappen in de vorm van een slakkenhuis, die naar een cirkelvormige toren leiden. Dat zou wel eens voor astronomische waarnemingen gediend kunnen hebben. Sinds Roberto een foto van deze tempel in een tijdschrift zag, was Caracol op zijn netvlies gebrand en wou hij architectuur studeren. Uiteindelijk koos hij voor biologie.

We reizen door naar het stadje Valladolid, van waaruit we twee cenotes bezoeken: Samula en Dzitnup. Deze ondergrondse vijvers zijn een zeldzaam natuurfenomeen en komen slechts op een aantal plaatsen in de wereld voor. Het lijkt op een ondergrondse grot vol stalactieten en stalagmieten, met een enorme plas water. Een aantal lichtstralen vallen binnen langs een gat in het plafond en in Samula reiken boomwortels van het aardoppervlak tot aan de plas. Je kan zwemmen in het kristalheldere water en in sommige cenotes kan je ook diepzeeduiken. Het zijn heilige plaatsen voor de maya's, net als grotten, een brug naar de onderwereld Xibalbá. Carlos, mijn bevriende grottengids uit Belize, wist me te vertellen dat het merendeel van de lokale bevolking schrik heeft van grotten. Ze verklaren hem en de toeristen gek. Er heerst mystiek, wie weet kom je er wel een god van de onderwereld tegen en keer je nooit meer terug… you betta believe it!

De volgende dag gaan we naar Tulum. Zand, zee en ruïnes. De site is heel klein, maar mooi gelegen, als een baken langs de kustlijn. Wie weet diende één van de uitkijktorens wel als vuurtoren. Veel schiet er niet over van de ruïnes, je kan nergens meer op en slechts een aantal tempels bevatten zichtbare muurschilderingen of hiërogliefen. Ook hier hebben de hiërogliefen een eigen stijl, bijvoorbeeld het omgekeerde ventje dat een god voorstelt of de enorme gezichten die op de hoeken van een gebouw prijken. De hele site is ommuurd, door overblijfselen van een omwalling en door de zee. Nadien genieten we van de zonsondergang op het strand en drinken we een margarita om afscheid te nemen van Mexico, want de volgende dag vertrekken we naar Belize.

0 reacties:

Een reactie plaatsen